Het orgel

Op zoek naar een geschikt orgel

Volgens een artikel uit 2015 in het Nederlands Dagblad zal binnen tien jaar een kwart van de Protestantse en Rooms Katholieke kerkgebouwen overbodig geworden zijn. Het kan niet anders of dat zal gevolgen hebben voor de orgels die in deze kerken staan. Bij monumentale kerken blijft het orgel vaak staan of hangen, wachtend op de onzekere effecten van een herbestemming. Een orgel kan ook een onbeschermde status hebben en naar elders verdwijnen, soms zelfs naar een buitenlandse bestemming. Toen we voor het nieuwe kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente te Nieuw-Beijerland op zoek gingen naar een geschikt instrument, lag de focus al snel op een relatief groot instrument met twee klavieren en zelfstandig pedaal, wat op een huidige locatie overtollig was of binnenkort zou worden. Eén van de voornaamste redenen hiervoor was het budget, maar daarnaast lag er een programma van eisen op tafel, opgesteld door de ‘Werkgroep Orgel’. Hierin stond de uitdrukkelijke wens om op zoek te gaan naar een 19e eeuws orgel met een ‘warme toon’, dat geschikt zou zijn voor een breed scala aan orgelmuziek, maar vooral geschikt voor begeleiding van de gemeentezang.

Niet onbelangrijk was het aantal verwachte kerkgangers in “De Kandelaar”. Dit aantal zou rond de 800 komen te liggen. Een akoestisch plan en advies van ‘het geluidBuro’ formuleerde de streefwaarden die zeer gunstig voor het gesproken Woord zouden uitvallen, maar de klank van het orgel op achterstand zouden plaatsen. Ook hiermee moest terdege rekening worden gehouden.

Na een paar verkenningen elders kwamen we uit bij Adema’s Kerkorgelbouw in Hillegom. Zij hadden een Gradussen-orgel uit Groenlo te koop. In 1993 was door hen een Adema-orgel uit 1926 in de H. Calixtusbasiliek te Groenlo geplaatst, ter vervanging van het eerstgenoemde. Het Adema-orgel was afkomstig uit de H.H. Nicolaas en Barbarakerk (bijgenaamd “De Liefde”) te Amsterdam en in 1998 erkend als rijksmonument.  In 2012 restaureerde Adema’s Kerkorgelbouw het instrument en plaatste het op de koorzolder, de plaats waar tot die tijd het oorspronkelijke orgel stond.

Adema kocht het Gradussen-orgel in 2011. Het kwam in Hillegom terecht, te midden van een groot gezelschap aan orgels en orgelonderdelen, wachtend op een nieuwe bestemming. Het was vanwege de omvang, herkomst, kwaliteit en uitbreidingsmogelijkheden dat dit orgel onze bijzondere belangstelling trok. Er waren echter wel een paar flinke hobbels te nemen: het orgel was in 1942 elektro-pneumatisch gemaakt waarbij de oorspronkelijke register- en toetsmechaniek was verwijderd. Tevens was in dat jaar de kas gesloopt en het front, inclusief de frontpijpen, geheel vernieuwd. De kwaliteit van het materiaal en het geleverde werk was zodanig dat dit niet voor herplaatsing in aanmerking zou kunnen komen.

Je kunt je overigens afvragen: is een orgel uit een Rooms Katholieke Kerk wel geschikt als begeleidingsinstrument in een protestantse gemeentezangtraditie? Deze vraag is in de historie diverse keren gesteld en vervolgens uiteenlopend beantwoord. Een mooi en oud voorbeeld is het orgel in de Oostkerk van Middelburg. Dit drieklaviers orgel werd gebouwd door de gebroeders Petrus Josephus en Johannes de Rijckere uit Kortrijk (B) en direct na oplevering in 1781 afgekeurd. Na diverse aanpassingen aan het gebruik in de protestantse eredienst door Nederlandse orgelmakers is het nu een van de fraaiste instrumenten die ons land rijk is.

Zo hebben we in principe ook gekeken naar het instrument uit Groenlo. Nadat het parochiebestuur in 1876 opdracht had gegeven tot het vervaardigen van een orgel, werd dit in 1877-1878 gemaakt door de “Gebrs. Gradussen, orgelfabrikanten te Winssen, bij Nijmegen”. Deze orgelmakers, de gebroeders Willem (geb. 1831) – en Henricus Gradussen (geb. 1835), waren van origine timmerlieden en aannemers. Zij hadden zeker enige faam als makers van kerkmeubilair in Rooms Katholieke kerken. Vanaf 1866 werden er met zekere regelmaat orgels gemaakt en afgeleverd, totaal 37 stuks, vrijwel zonder uitzondering in Rooms Katholieke kerken.

In het orgelmakersvak waren de gebroeders Gradussen grotendeels autodidact: zij hadden zichzelf het vak eigen gemaakt. In korte tijd wisten zij een goede naam op te bouwen, wat resulteerde in eervolle opdrachten zoals de bouw van drie grote orgels in Arnhem. In 1875 bouwden zij een orgel in de R.K. Eusebiuskerk (wat in 1985 overgeplaatst werd naar de R.K. Walburgiskerk), in 1883 een orgel in de Walburgiskerk (verloren gegaan), en in 1890 een orgel in de R.K. St. Martinuskerk. Tijdgenoten van de Gebroeders Gradussen, de beroemde orgelmakers Smits uit Reek, hadden al waardering voor de solide aanpak waarmee de Gebroeders Gradussen het vak beoefenden. H.W.J. Smits schreef daarover in een brief: “op de monumentenlijst paraiseert ook het Walburgis-orgel, Arnhem; dat is het grootste werk van Gebrs. Gradussen te Winssen. Denvoudige lieden en bewoners van ’n boerenhuis, maar die heel wat gepresteerd hebben, en solied werk ook.“

Bij de beschrijving van het ombouwproject schreef orgelbouwer Verschueren in 1942: “Het oude orgel in de kerk te Groenlo is gebouwd door de firma Gradussen uit Winssen in het jaar 1877, en munt, evenals de meeste werken van genoemde firma, uit, door degelijkheid, mooie afwerking en prima pijpwerk, behalve de tongwerken, welke slecht zijn. Zooals echter alle werken uit dien tijd, heeft de mechaniek veel geleden en is de dispositie eenigszins verouderd.”

Ook Ton van Eck schreef veel later, waarschijnlijk in 1987, met waardering over het solide werk van Gradussen:  “Aan de klank van het instrument is te horen dat het van goede kwaliteit is.” Tegelijkertijd betreurde hij de ingrepen uit 1942. 

Naar Arnhem

Een flinke delegatie uit Nieuw-Beijerland heeft op 13 maart 2015 ter oriëntatie het Gradussen-orgel in de Arnhemse St. Martinuskerk bezocht en bespeeld. Eén en ander ging vergezeld van een gloedvolle introductie en presentatie van de Arnhemse organist Marcus Bergink, die tevens als een ware Gradussen-ambassadeur optrad.

Bij dit bezoek kon iedereen zich overtuigen van de kwaliteiten van de orgelmakers Gradussen. Steeds gebruikten zij de beste houtsoorten, waaronder eikenhout (wagenschot) van eersteklas kwaliteit. Alle onderdelen zijn solide, massief en vakkundig bewerkt. Het orgel in de St. Martinuskerk van Arnhem is weliswaar twaalf jaar later dan dat van Groenlo gebouwd, maar getuigt nog steeds van het onverminderde vakmanschap van zijn makers. Het was een gelukkige bijkomstigheid dat dit orgel recent door Adema’s kerkorgelbouw is gerestaureerd, wat het inzicht in de makelij en aanleg van de te reconstrueren onderdelen voor Nieuw-Beijerland zeker ten goede zou komen.

De orgels van de Gebroeders Gradussen onderscheiden zich onder andere door de volgende karakteristieken:

  1. Forse eikenhouten windladen van onbekrompen afmetingen. Volgens het contract van de St. Walburgiskerk (1882) gebruikte Gradussen hiervoor ”droog wagenschot zonder gebreken, (…) het buitenraam uit 2 duims, de windstokken uit 1½ duim, de slepen dammen en roosterborden uit 5/4 duims. De windstokken zullen op de windladen worden bevestigd met daartoe vervaardigde houtschroeven met halve ronde koppen, de speelkleppen zullen los in de windkassen liggen, draaijen in kopere stiften gesloten worden door getrokken Kopere veren, en zich met koperdraad bewegen welke luchtdigd door een kopere plaat loopt die op het pulpetenbord bevestigd is.”
  2. Forse vierkante magazijnbalgen, voor Groenlo waren dat er twee, waarvan één moest worden gereconstrueerd. Gradussen zelf schrijft erover: “de Zelve zal een afmeting hebben dat bij het gebruik der volstemmigste hoe veelheid wind kunnen op leveren, de bladen uit vuren hout de scheren en sluiting ook uit vuren, de balgen worden gemaakt met twee opgaande vouwen den eenen naar binnen en den anderen naar buiten met een tusschen raam, en word met ijzere mechaniek bewerk, dat de vouwen gelijk zullen op en neer gaan, verder de beplakking der blaasbalgen met best wit schapenleer (…)”
  3. In Groenlo was het houten pijpwerk vervaardigd van grenenhout. Deze pijpen zijn echter alle uitwendig geschilderd in verfijnd imitatie-eiken. Bij andere orgels, zoals dat van de St. Martinuskerk is vaak eikenhout gebruikt.
  4. Festonneerdraad is paars van kleur. Ook voor de gereconstrueerde mechaniek is dat conform de werkwijze van Gradussen weer toegepast.
  5. Het metalen pijpwerk is niet gemaakt door Gradussen, zij maakten het metalen pijpwerk nooit zelf, maar geleverd door een orgelpijpenmakerij. In Groenlo was dat de firma Devos te Cureghem bij Brussel.
  6. De “bakstukken van het klavier zullen worden belegd met palissander hout, net en sierlijk worden afgewerkt, de platte toetzen zullen belegd worden met dubbeld ivoor, de kruizen geheel zijn van ebbenhout.” Ook de registerknoppen waren meestal uit palissanderhout gedraaid.
  7. In de samenstelling of dispositie van het orgel heeft Gradussen een duidelijke eigen inbreng. Zo heeft het bovenklavier, door Gradussen altijd “Positief” genoemd, geen 2 voets register(s). Bij de vroegere orgels heet de overblazende fluit 4 voet altijd Dwarsfluit, dus nog geen Fluit harmoniek (zoals bij de Fa. Adema), het tongwerk op het Positief is een Fagot of Basson Bas/Hautbois 8 voet Discant. Kenmerkend is ook de naam van een strijkend 4 voets register op het positief: Melophon of Melophone 4 voet.

Terug naar Groenlo

Het Gradussen-orgel was in de St. Calixtuskerk in de torenruimte opgesteld en bezat in 1878 de volgende dispositie met 22 sprekende stemmen:

Manuaal C-f3 Positief C-f3 Pedaal C-d1
Prestant 16 vt discant Salicionaal 8 vt Prestant 16 vt
Bourdon 16 vt Open Fluit 8 vt Subbas 16 vt
Prestant 8 vt Quintadeen 8 vt Octaafbas 8 vt
Holpijp 8 vt Bourdon 8 vt Fagot 16 vt
Octaaf 4 vt Dwarsfluit 4 vt
Roerfluit vt Melophon 4 vt
Quint 3 vt Basson 8 vt Bas
Octaaf 2 vt Hautbois 8 vt Disc.
Cornet 2,3 sterk Disc.
Mixtuur 2,3 sterk
Trompet 8 vt

 

Koppelingen: Pedaal – Manuaal en Manuaal – Positief

Rond 1920 werd de Melophon 4 vt verschoven tot Celeste 8 voet.

In 1942 werd het orgel door Verschueren uit Heythuysen vergroot en omgebouwd naar een elektrisch systeem met vrijstaande speeltafel. Hierdoor verdween de oorspronkelijke mechanische aanleg naar de slepen en ventielen en de messing pulpetenstrip. Tevens werden de eiken ventielen verzaagd en van een voorventiel voorzien (anders zouden de aangebrachte magneten de nogal fors uitgevallen ventielen niet kunnen openen). De kas werd gesloopt en het orgel werd van een zinken front voorzien, afgewerkt met eiken stijl- en lijstwerk en triplex panelen. De oude achterwand werd grotendeels gehandhaafd. De oorspronkelijke schepbalgen verdwenen en maakten plaats voor een elektrische windmachine met regulateur. De klavieromvang werd van f3 naar g3 uitgebreid. Het pedaal kreeg drie extra tonen, omvang C-f1. De voorziening bij de windladen werd via kleine elektro-pneumatische kegelladen uitgebreid. De windladen werden tamelijk ingrijpend gerestaureerd, de stokken voorzien van telescoophulzen en het geheel werd ingericht voor een gemoderniseerde dispositie en tractuur.

In 1968 zijn de te kleine elektromagneten alsnog vervangen door krachtiger exemplaren en de Trompet 8 vt werd vervangen door een nieuw exemplaar van Franse makelij.

De dispositie werd nu als volgt:

Manuaal I (C-g3) Manuaal II (C-g3) in zwelkast Pedaal (C-f1)
Bourdon 16’ Fluit 8’ Prestant 16’
Prestant 8 ‘ Salicionaal 8’ Subbas 16’
Bourdon 8’ Voix Celeste 8’ Openbas 8’
Octaaf 4’ Holpijp 8’ Octaaf 4’
Roerfluit 4’ Fluit Harmonique 4‘ Fagot 16’
Kwint 2 2/3’ Kwintadeen 4’
Octaaf 2’ Zwitsersche pijp 2’
Cornet 3 sterk disc. Sesquialter 2 sterk
Mixtuur 3-4 st. Cymbel 3 sterk
Trompet 8’ Dulciaan 8’

Koppelingen: Ped + Man I, Ped + Man II, Man I + II, Man I + II 16’, Man I + II 4’

1 vrije combinatie over alle registers en koppelingen; 5 vaste combinaties P . MF . F . FF. TT . en Oplosser. Automatisch pianopedaal. Generaal crescendo. Tremolo Man II

Op zoek naar een geschikt front

Een goed uitgangspunt voor de totstandkoming van een orgel is deze klassieker: zien en horen moeten in elkaars verlengde liggen. Als je naar een orgel kijkt en luistert, moet je horen wat je ziet en zien wat je hoort. Met andere woorden: het uiterlijk is als het goed is in overeenstemming met het innerlijk. Het Gradussen-orgel was in 1942 (helaas) ontdaan van zijn uiterlijk. Als we dit orgel uit 1878 opnemen in een nieuwe situatie, in een hedendaagse vormgeving, wat voor front kies je daar dan bij?

Deze onderdelen worden ooit weer een orgelfront

De eerste gedachte zou kunnen zijn: een reconstructie van het vroegere Gradussen-front in Groenlo. Helaas hebben we (nog steeds) niet de beschikking over oude foto’s of tekeningen van voor 1942 waarop het orgel staat afgebeeld. Een “tweeling’ van het orgel van Groenlo bestaat er voor zover wij weten niet. Dat laatste was bijvoorbeeld wel het geval bij het orgel in de Gereformeerde Gemeente van Tholen. Daar werd gekozen voor een gedetailleerde reconstructie van een monumentaal Van Oeckelen-front en orgelkas uit 1841. Dit orgel was eveneens uit een Rooms Katholieke kerk ( de Academiekerk te Groningen) afkomstig. Het heeft een zeer rijzige kast, geschilderd in rijtuigzwart, met uitbundig ivoorkleurig snijwerk. Te midden van een eigentijds kerkontwerp en dito interieur was het toen (in 2004) een spannend avontuur maar met een voor iedereen overtuigende afloop.

Een neogotische Gradussen-kast in Nieuw-Beijerland zou echter, meer dan in Tholen, een sprong in het diepe zijn geweest. Zo’n reconstructie werd bovendien als onbetaalbaar en dus onhaalbaar ingeschat. Maar er diende zich een andere mogelijkheid aan. In de opslag van Adema’s Kerkorgelbouw (een ware schatkamer aan orgelmateriaal van allerlei herkomst) lag echter ook een front zonder orgel opgeslagen.

Het front had dan weliswaar zijn orgel verloren, maar niet de bijbehorende kansel, de trappen en de boogvormige overgang. Al deze elementen waren in de orgelkrochten van Adema bewaard. Ze zijn afkomstig uit de inmiddels gesloopte Gereformeerde kerk van Halfweg, vlakbij Schiphol. Zowel de kerk als het interieur waren een creatie van architect Tjeerd Kuipers.

Gezien het belang van deze architect en zijn invloed op de Nederlandse kerkbouw in het laatst van de 19e en het begin van de 20e eeuw staan we een ogenblik stil bij zijn leven en werk.

Tjeerd Kuipers werd geboren op 21 december 1857 in Gorredijk, als zoon van Egbert Roels Kuipers (bouwer van het voormalig postkantoor en Boterwaag in Gorredijk), timmerman-aannemer van beroep, en Jantje Tjeerds Wiegersma. Tjeerd ging na de HBS in de leer bij de Leeuwarder architect J.P.J. de Rooy. Daarna kreeg hij een betrekking bij Gemeentewerken in Meppel. Aan het eind van de 1870-er jaren vertrok de familie Kuipers van Gorredijk naar Amsterdam, waar hij architect werd.
Ook zijn broers Roelof en Foeke werden dat. Tjeerd Kuipers overleed in Laren (N.H.) op 13 november 1942. Hij werd begraven op begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam. Daar tekende ds. P.N. Kruyswijk hem als “één van die duizenden Friezen, die omstreeks 1870 gegrepen zijn door de klare, rechte verkondiging van Gods Woord, zooals Dr. A. Kuyper die bracht. In die geestelijke beweging heeft God op tal van plaatsen menschen neergezet, die bereid waren te dienen en gaven van Hem ontvangen hadden om in dien geest op alle terrein des levens te arbeiden. De opkomende Geref. Kerken hadden behoefte aan kerkgebouwen en Kuipers is een dergenen geweest, die vele dier kerken gebouwd heeft” (De Standaard, 18 november 1942). Kuipers ontwierp tussen 1888-1928 meer dan vijftig voornamelijk Gereformeerde kerken. Tjeerd werkte bij architectenbureau Salm en later bij Sanders en Berlage. Nadat de eerste ontwerpen niet werden uitgevoerd, o.a. voor kerken in Katwijk aan Zee en Amsterdam, en een aannemer zijn ontwerp voor een kerk in Haarlem plagieerde, bouwde Kuipers in 1888 zijn eerste kerk in het Friese Makkum. Kuipers gebruikte gedurende zijn carrière verschillende bouwstijlen. Zijn vroegste werk is tot ca. 1896 over het algemeen uitgevoerd in neorenaissance stijl. Daarna ontwerpt hij een aantal kerken waarin invloeden uit het romaans en de gotiek worden gecombineerd met het rationalisme van Berlage. Vanaf 1899 voert dit rationalisme de boventoon. Een aantal van zijn laatste kerken in de jaren ’20 is ontworpen en gebouwd in een gematigde expressionistische stijl. Helaas is het merendeel van zijn kerken, waaronder dat van Halfweg, overtollig geworden en recent gesloopt.

De Gereformeerde kerk van Halfweg, ook wel de Grote Kerk genoemd, was in 1919 door Kuipers ontworpen in rationalistische stijl. Ook het interieur was door hem getekend en uitgewerkt. Het orgel was daar een onlosmakelijk onderdeel van. De stijl waarin het orgelfront van Halfweg is ontworpen noemen we wel Berlagiaans rationalisme, vernoemd naar zijn leermeester H.P. Berlage (1856-1934). Tot 1899 paste Kuipers vooral neorenaissance als bouwstijl toe, zoals bij de Bakker & Timmenga-orgels in Heeg (1890) en de Nieuwe Westerkerk te Rotterdam (1892).

In 1899 verschijnt een voor Nederland nieuw orgelfront-ontwerp van zijn hand, dat van de Oosterkerk te Den Haag. De orgelkas in zijn klassieke vormen is dan grotendeels verdwenen, de frontpijpen staan in open opstelling, met banden en ornamentiek verbonden. Hoewel er zeker Duitse invloeden op het werk van Kuipers aan te wijzen zijn, lijkt deze stijl mede te zijn beïnvloed door de in Engeland al langer ingevoerde orgel-architectuur. In 1912 verschijnt in de Nieuwe Kerk van Kampen een gematigde versie van deze stijl, met rijk gedetailleerde banden en aan de bovenzijde beschilderde zinken frontpijpen. In diezelfde tijd ontwerpt Kuipers een front voor het Walcker-orgel in de Grote Kerk van Wildervank. Dit orgel is in 1913 in gebruik genomen. De contacten met de schenker van het orgel, K.J. Bos en de Duitse orgelbouwer Walcker leidden vervolgens tot een subliem ontwerp voor een groot vierklaviers orgel in de Nieuwe Zuiderkerk te Rotterdam. Dit orgel is voltooid in 1916 en vond na de sloop in 1969 van de Nieuwe Zuiderkerk in de Grote of Martinikerk van Doesburg een waardige, nieuwe bestemming. Het is qua rijke ornamentiek en vormgeving een hoogtepunt in de Nederlandse orgelbouw. In 1918 kreeg het een soberder vervolg in het Standaart-orgel te Axel. En in 1919 ontwierp Kuipers het front voor het orgel van Halfweg. Het heeft, evenals de hiervoor genoemde orgels, een open opstelling zonder kappen en een besloten kas. De frontpijpen zijn van zink, de in Wildervank nog aanwezige beschildering bleef hier achterwege. De houtsoort is aan de voorzijde voornamelijk grenen, voor de zijwanden was vurenhout van niet al te beste kwaliteit toegepast. De frontpijpen hadden in eerste instantie vergulde labia, maar waren later niet meer zichtbaar toen de pijpen bij een restauratie in 1968 zijn overgespoten. De kas was vanaf de bouw in imitatie-eiken geschilderd, met toevoeging van enkele accenten in bladgoud. Het binnenwerk van het orgel met 18 sprekende registers en pneumatische tractuur werd in 1921 geleverd door de Kerkorgelfabriek N.A. van den Berg te Aalten, maar was in feite vervaardigd door K.P. van Ingen uit Haarlem. Het is opmerkelijk, zelfs vermakelijk, om te zien hoe de architectuur en het feitelijke instrument tot elkaar veroordeeld zijn. Het middelste onderfront is geheel loos, de twee grootste pijpen in de middentoren ook. De zijvelden bevatten nu aan weerszijden de grootste 12 pijpen van de Salicionaal 8 voet (in Halfweg was dat een Violon 8 voet), voorzien van originele rolbaarden, zoals ook bij de orgels van Kampen en Wildervank het geval is. Alle sprekende pijpen in de middentoren hebben een enorme overlengte, tot zelfs het dubbele van wat voor een goede toon nodig is.  De mensuur van de kleinere pijpen laat geen normaal mensuurverloop toe. Het kan niet anders of deze pijpen hebben slechts een architectonische functie.

En hiermee komen we weer terug bij het begin van het verhaal, waar we het voorbeeld van het orgel in de Oostkerk te Middelburg als uitgangspunt namen. Daar zien we hoe een orgel van Rooms Katholieken huize werd ingepast in een voor de protestantse eredienst ontworpen en gebouwde kerk. Maar we zien ook hoe de orgelmakers De Rijckere hun instrument moesten inpassen in de aan hen opgelegde architectuur, in dit geval was dat Conradt Kayser.

Uiteindelijk is daar een zeer fraai geheel ontstaan, waar we nog eeuwen later in Nieuw-Beijerland door zijn geïnspireerd. Wat zou het een fraai geheel zijn geweest als we ook de kanselpartij en bekronende bogen hadden kunnen meenemen naar Nieuw-Beijerland. Ter plaatse werd echter de voorkeur gegeven aan een kerkzaal-verwant ontwerp van RoosRos architecten.

 

Beknopt overzicht van de restauratie en uitbreiding van het orgel

Op basis van grondig onderzoek stelde Ronald van Baekel van Adema’s Orgelbouw samen met de orgeladviseur een restauratie- en uitbreidingsplan op. Alle oude onderdelen werden vervolgens nauwgezet gerestaureerd. Omdat er door de ingrijpende verbouwing door Verschueren in 1942 en ook nog in 1968 aan het vrijwel oorspronkelijke orgel van Gradussen veel was gewijzigd, kwamen er tevens mogelijkheden in beeld om het orgel aan te passen aan zijn nieuwe functie. Ter wille van de begeleidingsfunctie in de protestantse eredienst zijn een paar registers binnen historische kaders aangepast en andere zijn toegevoegd. Die aanpassing gebeurde alleen als het geen origineel pijpwerk van Gradussen betrof. Origineel pijpwerk dat was verplaatst of gewijzigd is zoveel mogelijk op de originele plaats en/of functie teruggezet. Voor wat betreft het in 1942 en 1968 geplaatste pijpwerk was dat niet altijd een goede keuze. In een (ongedateerd) rapport van Dr. Ton van Eck, destijds organist van de St. Jacobskerk te Den Haag en adviseur voor de Katholieke Klokken- en Orgelraad, pasten vooral de Dulciaan, Fagot, Sesquialter en Cymbel niet in het klankbeeld van Gradussen. Een paar registers pasten echter wèl, zeker als ze wat aan Gradussen’s werkwijze en klankbeeld zouden aangepast worden. Dat waren de Trompet 8 vt, Zwitsersepijp 2 vt (volgens Van Eck’s rapport sinds 1968 Gemshoorn 2 vt geheten), Mixtuur en Cornet. Nieuw metalen pijpwerk is gemaakt voor de verdwenen Quint 3 vt, Basson/Hautbois 8 vt en een aantal pijpen van de Prestant 16 vt en Melophon 4 vt. Hetzelfde geldt voor de toegevoegde Tertiaan,  het 4 voets koor van de Cornet en een stukje van de Mixtuur,

De toets- en registermechaniek was in 1942 geheel verloren gegaan en is nu geheel nieuw opgezet. Dat moest op een andere wijze als in Groenlo, omdat het Positief nu boven in de kas, in haakse positie ten opzichte van het front, staat opgesteld. Voorheen stond het Positief op hetzelfde niveau als het Manuaal. De registertrekkers waren door de elektrificatie allemaal verdwenen en zijn nu naar Gradussen-voorbeeld opnieuw gemaakt. Ze zijn voorzien van palissander knoppen met ingelegde porseleinen plaatjes. De nieuw gemaakte wellenborden zijn van eikenhout met metalen wellenarmen.

De klaviatuur is afkomstig uit Warmond en dateert uit de eerste helft van de 19e eeuw. Het heeft nog heel klassieke verhoudingen. Waarschijnlijk functioneerde het in een orgel met hoofdwerk en rugpositief of een onderpositief. De met een registerknop bedienbare schuifkoppel van het boven- naar het onderklavier is gehandhaafd. Andere koppels zijn nieuw toegevoegd. De eiken bakstukken van de klavieren zijn bij de restauratie belegd met Palissanderhout. Ook het pedaalklavier is oud, laat negentiende eeuws, en afkomstig uit voorraad van de orgelmakers. Zelfs de orgelbank is historisch, deze is afkomstig van het Adema-transeptorgel uit de Sint-Willibrordus buiten de Veste te Amsterdam en dateert uit 1890.

De forse magazijnbalg met in- en uitspringende vouw heeft een oppervlakte van 2.50 x 2.00 meter. Deze is samen met één harmonicakanaal nog origineel. Een nieuwe extra balg met enkele vouw en twee harmonicakanalen werden in dezelfde stijl toegevoegd, Hieruit wordt nu het Pedaal gevoed. Het balggewicht bedraagt 650 kg. Een nieuwe orgelmotor voorziet de balgen van wind. De oorspronkelijke schepbalg- of trapinstallatie met windwijzer werd niet gereconstrueerd; er was geen plaats voor.

De windladen zijn eveneens van forse afmetingen en ruim opgezet. Dat bood ons wel de mogelijkheid om extra registers toe te voegen. Op het Manuaal was dat de Salicionaal 8 vt (deze stond oorspronkelijk op het Positief), een Tertiaan en een vergrote Cornet als stimulans voor de gemeentezangbegeleiding. Ook werd een nieuwe Trombone 16 voet B/D toegevoegd. Om eventuele ‘overbelasting’ van de windladen te voorkomen is de bas van de Bourdon 16 vt op een aparte

(moteurs-)lade van de orgelmaker Maarschalkerweerd tegenover de klaviatuur geplaatst. Op het Positief werd de in 1948 toegevoegde Zwitsersche pijp 2 vt gehandhaafd, maar ‘omgedoopt’ tot Piccolo 2 vt. De Salicionaal 8 vt werd omgeruild voor een Prestant 8 vt. In de hieronder vermelde dispositie zijn nadere bijzonderheden terug te vinden. Op het Pedaal behielden we een 4 voets register. Dit is de in 1942 verschoven Octaafbas 8 vt van Gradussen. Voor het achtvoets register zijn andere historische pijpen gebruikt. De Prestant 16 voet kreeg haar grootste houten pijpen terug en de Bazuin 16 vt heeft de plaats van de verdwenen Fagot ingenomen.

De windladen werden grondig gerestaureerd en van dilatatievoegen voorzien om ongunstige klimaatinvloeden (een langdurige lage luchtvochtigheid) enigszins te kunnen opvangen. Alle voorventielen uit 1942 zijn verwijderd en de oorspronkelijke ventielen weer in de oorspronkelijke stijl teruggebracht.

De orgelkas kreeg een nieuwe achterwand. Bij de zijwanden werden de kwalitatief goede delen gehandhaafd en aangevuld met nieuwe panelen. Boven het Positief werd een schuin aflopend plafond aangebracht, voorzien van verstelbare jaloezieën om de klankuitstraling te bevorderen.

De Jongh Schildersbedrijf bv te Waardenburg schilderde het orgel opnieuw in de oorspronkelijke kleuren en technieken. De kas kreeg hiermee haar eikenhoutimitatie terug, gebaseerd op consoles van (imitatie) zandsteen.

Deze consoles bekroonden in Halfweg de boogvormige toog boven de kansel. Op de labia van de frontpijpen verscheen het bladgoud weer, evenals op de tandlijsten van de pijpenbanden. Ook de gestileerde vogelfiguren op de frontstijlen – een late echo uit de Jugendstilperiode – werden in het goud gezet.

 

Dispositie of samenstelling van het orgel:

 

Manuaal C-f3 C en Cis-lade. Indeling: C – Fis  e3 – Gis  |  A – f3  G – Cis
Prestant 16 voet Discant c1-d1 en cis3-f3 nieuw. dis1-c3, verlengd en opnieuw voorzien van expressions; Gradussen, 1878. Corpus met hoog tingehalte, op metalen voet. Mensuur twee halve tonen wijder dan Salicionaal 8vt. Pijpen op kantsleep achter het front.
Cornet 5 sterk Discant samenstelling c1: 8, 4, 2 2/3, 2, 1 3/5 vt, 8 vt metaal, gedekt  (Verschueren, 1942 – ex. Holpijp 8 vt); 4 vt open, nieuw, met enkele stemrollen; 2 2/3, 2, 1 3/5 vt, c1 en c2 nieuw, rest Verschueren, 1942. Op kantsleep achter het front, op verhoogde pijpenbank, afkomstig uit het orgel van Scherpenzeel (C.G. F. Witte, 1865).
Prestant 8 voet C-H in front, zink. Van Ingen, 1921. c0-f3 19e eeuws pijpwerk afkomstig uit vroegere orgel van de St. Jeroenskerk te Noordwijk. Expressions. Zijbaarden t/m f2.
Salicionaal 8 voet C-H in front (uiterste zijvelden) met zij- en rolbaarden, zink. Van Ingen 1921. c0-h0 met freins. c0-f3 met expressions en zijbaarden. Gradussen, 1878.
Bourdon 16 voet C-h0 gedekt, grenen, afgevoerd tegen zijwand op een historische windlade van Maarschalkerweerd, plm. 1900. Pijpwerk Gradussen, 1878. c1-f3 gedekt, metaal met zijbaarden; Adema, Amsterdam 1890. Wijde mensuur.
Holpijp 8 voet C-G grenen, Gradussen, 1878. Gis-H gedekt, metaal, 19e eeuws uit voorraad orgelmakers. c0-f3  gedekt, metaal, met zijbaarden Gradussen, 1878.
Octaaf 4 voet C-G in front (bovenste gedeelte), Van Ingen 1921. Gis-H Verschueren, 1942. c0-f3 verlengd. Alle pijpen met expressions. Gradussen 1878.
Roerfluit 4 voet C-f2 Gedekt, metaal, met lange roeren en zijbaarden. fis2-f3 eng conisch open. Gradussen 1878
Quint 3 voet Open, metaal, nieuw. makelij als Octaaf 4 voet. C-dis0 met zijbaarden. C-c1 met expressions.
Octaaf 2 voet Open, metaal. C-H zijbaarden.C-f1 met expressions. Adema, Amsterdam, 1890.
Tertiaan samenstelling C: 1 3/5   c1: 3 1/5 voet. Open metaal, nieuw. makelij als Octaaf 4 voet.
Mixtuur 3,4 5 sterk samenstelling C: 2, 1 1/3, 1   c0: 2 2/3, 2, 1 1/3, 1 c1: 4, 2 2/3, 2 1 1/3   voet c2: 5 1/3, 4, 2 2/3, 2 1 1/3 voet. Open, metaal. Vrijwel geheel Verschueren, 1942. Pijpen tot ½ voets lengte verlengd en voorzien van expressions. 1 1/3 voets koor vanaf c2 nieuw.
Trombone 16 voet Bas/Disc. metalen stevels en koppen. Bekers trechtervormig, C-H met halve bekerlengte. Franse makelij, nieuw
Trompet 8 voet metalen stevels en koppen met trechtervormige bekers. Franse makelij. Verschueren, 1968.

 

 

 

Positief C-f3 lade-indeling: chromatisch
Prestant 8 voet C-H grenen, vroeg 20e eeuws, met stemschuiven en rolbaarden. c0-f3. Vioolprestant, 1890, afkomstig uit het Adema-orgel te Rotterdam, Stieltjesplein. Expressions. Op kantsleep.
Bourdon 8 voet C-H gedekt, grenen; Gradussen. c0-f3 gedekt, metaal, 19e eeuws, herkomst als Prestant 8 vt Manuaal. Wijde mensuur, zijbaarden.
Quintadeen 8 voet Gedekt, metaal; Gradussen. Relatief wijde mensuur.
Open Fluit 8 voet Open, metaal. Gradussen. C-H gecombineerd met Bourdon 8 vt. Boogvormige opsneden. Originele stemrollen.
Melophon 4 voet Open, metaal; C-h2 Gradussen. C-H met kastbaarden. c0-h0 met zijbaarden. C-f2 met expressions.fis2-f3 op lengte, nieuw. mensuur als Salicionaal 8 vt.
Dwarsfluit 4 voet Open, metaal; Gradussen. C-H expressions, c0-e0 met stemrol, f0-f3 dubbele lengte met stemrol.
Piccolo 2 voet Open, metaal; Verschueren 1942 (voorheen Zwitsersche pijp, sinds 1968 Gemshoorn 2 vt) Dubbele lengte (overblazend) vanaf c1. C1-cis1 nieuw
Basson 8 voet Bas Metalen stevels en koppen, eng trechtervormige bekers van 72% tin. Traanvormige messing kelen.
Hautbois  8 voet Disc. Metalen stevels en koppen. Bekers trechtervormig, à pavillion, 72% tin. Franse makelij. c1 –f3 enge open kelen.

 

Pedaal C-d1 C en Cis-lade – indeling: C – d1  |  cis1 – Cis
Prestant 16 voet Open, hout. C-H yellow pine, nieuw. c0-d1 grenen, Gradussen.
Subbas 16 voet Gedekt, grenen. Gradussen
Violoncel 8 voet Open, Amerikaans grenen, met rolbaarden. Afkomstig uit Adema-orgel van de St. Dominicuskerk te Haarlem (1891).
Octaafbas 4 voet Open, metaal. Gradussen. Verlengd en voorzien van expressions. Voorheen Octaafbas 8 vt, sinds 1942 een octaaf verschoven.
Bazuin 16 voet Grenen stevels, loden koppen. Bekers van zink. Kelen en tongen messing. Afkomstig uit de St. Jeroenskerk te Noordwijk. Pels,1919.
Tremulant Opliggend met uitlatende wind. Uit voorraad orgelmakers.
Winddruk Pedaal: 94 mm WK, uit eerste magazijnbalg. Manuaal en Positief 85 mm WK, uit tweede magazijnbalg.
Toonhoogte 440 Hz bij 180 C
Stemming gelijkzwevend
Koppelingen Pedaal-Manuaal, Pedaal-Positief, Manuaal – Positief en Positief – Manuaal 

 

Geraadpleegde literatuur:

Dr. J.G.P.G. Boogaarts, (proefschrift:) De orgelmakers Smits te Reek (bij Grave) – Duiven, 2017.

W.B. de Olde, Het Walcker-orgel van de Grote Kerk te Wildervank – Wildervank, 2013.

Dr. Hans Fidom, Miskend, verguisd en afgedankt – Nederlandse orgels uit de vroege 20e eeuw. Uitgeverij Aprilis Zaltbommel, 2006.

Dr. Ton van Eck, Inventarisatie van het orgel in de parochiekerk van de H. Calixtus te Groenlo. (ongedateerd).

Willem Jan Cevaal (red.) , Orgelreform in Nederland – Het orgel van de Grote of Martinikerk in Doesburg. Walburg Pers, Zutphen, 2003.

Henri Aarnoudse en Dirk Bakker, Een zeer goed toongevend werk – Het Van Oeckelen-orgel voor de Gereformeerde Gemeente van Tholen. Tholen, 2004.

De Historie van Gorredijk – website, gearchiveerd door de Koninklijke Bibliotheek Den Haag, 2015.

De Standaard, Gereformeerd Weekblad, 18 november 1942

Frans Jespers en Ad van Sleuwen, Tot roem van zijn makers. Een studie over J.J. Vollebregt en Zoon, meester orgelmakers te ‘s-Hertogenbosch. ‘s-Hertogenbosch, 1978.